Minder hoeft geen probleem te zijn
Op zichzelf is 'minder ....' geen probleem. Er politiek-bestuurlijk verkeerd op reageren, dat is een probleem. De opgave is namelijk om de kwaliteit van het leven in de gemeente op peil te houden of zelfs te laten groeien, terwijl het instrument van de kwantiteit is weggevallen. Het woord 'groei' komt dus weer op tafel, maar nu direct gekoppeld aan groei van kwaliteit.
Vele tientallen jaren hebben politici en bestuurders nooit over hoeven nadenken over de relatie tussen demografische ontwikkelingen en aanpassingen van beleid. De groei was een gegeven en op die voortdurend aanzwellende golf kon men steeds verder surfen. Dat heeft in de afgelopen eeuw als vanzelf een type politicus/bestuurder voortgebracht dat 'genetisch' op groei georiƫnteerd was. Maar nu voor steeds meer gemeenten geldt dat men niet langer kan surfen op de golf van groei rijst de vraag of er niet een nieuw type politicus/bestuurder nodig is dat kan denken in termen van groei van kwaliteit, zonder het hulpmiddel van kwantiteit bij de hand te hebben.
Dat zal niet eenvoudig zijn. Daarvoor is niet alleen kennis nodig, maar ook een mentale ombuiging, een psychologische kwestie waarover men niet licht mag denken. De primaire reactie op bevolkingsdaling is er namelijk een van ontkenning, de eerste fase van wat omschreven kan worden als het rouwproces waar men doorheen moet om de omslag naar de politiek van de krimp te kunnen maken.
Het is een moeilijke opgave, maar niet onmogelijk. Een voorbeeld uit de sector 'woningbouw'. Het is niet zo dat als het aantal huishoudens niet meer groeit, dat dan woningbouwactiviteiten stilvallen. De woonconsument zal altijd wensen blijven houden. De bouwsector zal hier ongetwijfeld op inspelen en dus de kwaliteit bouwen die wordt gevraagd. Echter in een situatie van huishoudensdaling op termijn, zal blijven doorbouwen leiden tot een overschot op de woningmarkt. Dat zal ertoe leiden dat er leegstand gaat ontstaan met als gevolg verloedering. Om dat te voorkomen zullen er ook woningen moeten worden gesloopt. De minst gewilde woningen, die dus onbewoond blijven, zullen onder de slopershamer terecht komen. Daarmee wordt de slechtste kwaliteit uit de woningvoorraad worden gehaald, waardoor de gemiddelde kwaliteit van die voorraad toeneemt. Kortom, minder kwantiteit, meer kwaliteit. Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Gemeenten zullen daarom sloopbeleid moeten ontwikkelen. Dat is beslist niet eenvoudig. Het gaat immers niet om een enkele leegstaande woning, het gaat om (delen) van buurten, waar nog steeds mensen wonen. Bovendien kost sloop plus herstructurering handevol geld, terwijl daar op dit moment geen fondsen voor bestaan. En signalen, afgegeven door Minister Eberhard van der Laan (WWI) in en na zijn brief van 21 april 2009, onder meer inhoudend dat groeigemeenten zouden moeten meebetalen in de kosten als gevolg van bevolkingsdaling in krimpgemeenten leverde onmiddellijk protesten op. Zie bijvoorbeeld de reactie van de Utrechtse wethouder Floris van Gelder in Trouw van 18 mei 2009. Zijn standpunt'" Wij hebben geen geld voor krimpregio's" is duidelijk. Kortom, een zeer complex vraagstuk.
De praktijk laat zien dat het afscheid nemen van de politiek van de krimp een zeer lange remweg heeft. Wat dat allemaal inhoudt is te bestuderen in de best practice van Parkstad Limburg.