Bevolkinsdaling


© Kenniscentrum voor Bevolkingsdaling en Beleid | info@bevolkingsdaling.nl

Effecten op drie niveaus van de organisatie

 

Effecten op raadsniveau

Aspecten zoals het afnemen van gezag van en vertrouwen in raden bij de lokale gemeenschap, de toenemende onwil van raadsleden om kostbare vrije tijd te steken in het bestuderen van eindeloze dossiers en het bijwonen van lange vergaderingen, spelen ongetwijfeld een rol bij het gegeven dat het voor politieke partijen steeds moeilijker wordt voldoende raadsleden te vinden. Maar de daling van de omvang van een steeds groter aantal gemeenten, gevoegd bij de ontgroening en vergrijzing, is een meer structurele oorzaak voor het afnemen van het reservoir van beschikbare raadsleden. Voor de verkiezingen van 2010 zal het net nog lukken, maar of dat in 2014 ook het geval zal zijn is de vraag. 
 
Op het niveau van het college van burgemeester en wethouders doet zich dezelfde spanning voor. Maar hier lijken drie verschillende oorzaken op de achtergrond te spelen. In de eerste plaats blijkt de invoering van het dualisme in 2002 in de praktijk te leiden tot een onevenredig hoog aantal vertrekkende wethouders. Dat maakt het moeilijk om voldoende bekwame wethouders te vinden.

Terzijde. In de laatste monistische periode (1998-2002) zijn zo’n 420 wethouders opgestapt en in de eerste dualistische periode (2002-2006) 464 wethouders; dat is een forse stijging mede gelet op het gegeven dat er minder gemeenten waren. Bron: Commissie Positie wethouders en raadsleden, Van Werklast naar werklust, Aanbevelingen om het werk van lokale politici (nog) leuker te maken, mei 2008.

 

Effecten op collegeniveau

In de tweede plaats is de bevolkingsdaling oorzakelijk voor een afname van de beschikbaarheid van wethouders. Maar in de derde en zeker niet onbelangrijkste plaats komt bij steeds meer gemeenteraden de vraag op of deze demografische ontwikkelingen niet om een ander type bestuurder vragen. Bestuurders die in staat zijn om tijdig en effectief de gemeente te leiden in de omslag van de politiek van de groei naar de politiek van de krimp. Op zoek naar een andere en nieuwe kwaliteit van leven in de gemeente onder omstandigheden van structurele bevolkingsdaling.
 

Effecten op ambtelijk niveau

Op het ambtelijke niveau speelt deze problematiek als volgt. In de eerste plaats zal een groot aantal vergrijsde gemeenteambtenaren het ambt met pensioen verlaten.
 
Hier speelt de variant van het gezegde 'Als een oude man sterft verdwijnt een boekenkast'. Het vertrek van zoveel ambtenaren zal ongetwijfeld een kennis- en ervaringsprobleem veroorzaken. Het is zeer de vraag of die kloof ooit gedicht kan worden. Voortreffelijke beroepsopleidingen zoals Gemeenteadministratie I en II, en Gemeentefinanciën bestaan niet meer. Hogescholen en universiteiten hebben daar geen echte curricula voor. En de potentiële beroepsbevolking, het reservoir waaruit gemeenten moeten putten om voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten aan te trekken groeit vanaf 2011 niet meer. 
  
Dit, gevoegd bij de te verwachten toenemende concurrentie vanuit de private sector, zal het voor overheden moeilijk maken op de arbeidsmarkt voldoende krachten te vinden. De toename van de werkloosheid in 2009, gevoegd bij de run op een overheidsbaan, is van tijdelijke aard. Zodra de economie weer aantrekt zal de private sector een schreeuwende behoefte hebben aan arbeidskrachten. Net op het moment waarop de babyboomgeneratie met pensioen gaat.
 

Mogelijke acties op ambtelijk niveau

Krimpende gemeenten staan wat dat betreft voor een viertal verschillende opties.

Ten eerste kan in overweging worden genomen te investeren in de oudere werknemer. In die zin dat gepoogd kan worden deze groep een paar jaar langer te laten doorwerken. Dat zou ook in lijn zijn met de zogeheten Lissabondoelen van 2000. Het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen is in dat doelencomplex een voorname factor.
 
Ten tweede kunnen gemeenten overwegen eventuele financiële ruimte aan te wenden om (tijdelijk) de concurrentie met de private sector aan te gaan door de arbeidsvoorwaarden te verbeteren.
 
Ten derde kan men proberen het huidige systeem van salariëring los te laten en deze over te laten aan de verantwoordelijkheid van de gemeenten zelf. Dat kan uiteraard een onderdeel zijn van die betere arbeidsvoorwaarden.
 
Ten vierde ligt er een optie in de zogeheten ambtelijke opschaling. Dat is het fenomeen waarbij een groep gemeenten afspraken maakt op het vlak van human resources management (HRM). Bijvoorbeeld door bij één gemeente enkele ambtenaren te stationeren voor één beleidssector – neem de Wet maatschappelijke ondersteuning of beoordeling van bouwaanvragen – die bij elke gemeente speelt. Dat scheelt arbeidsplaatsen. De verwachting is echter dat dit in het kader van bovengemeentelijke of regionale samenwerking slechts een tijdelijke oplossing zal zijn. Waar structurele bevolkingsdaling aanzienlijke proporties gaat aannemen is een proces tot spontane – dus door gemeenten zelf geïnitieerde – samenvoeging de uiteindelijke oplossing om voldoende ambtenaren van voldoende kwaliteit tegen een concurrerend salaris aan het werk te krijgen.